Het FANC publiceert de resultaten van het seminarie "Ionizing radiation, genetic and embryonic risk: Chernobyl data and new insights" dat het op 21 april 2006 georganiseerd heeft.
Er circuleren vandaag de dag veel tegenstrijdige berichten over de gezondheidsgevolgen van het nucleaire ongeval dat zich 20 jaar geleden te Tsjernobyl heeft voorgedaan. Een van de discussiepunten is de vraag of de bestralingen en besmettingen die door het ongeval veroorzaakt werden al dan niet verantwoordelijk waren - of zijn - voor een verhoogde frequentie van aangeboren afwijkingen bij de blootgestelde bevolking, in het bijzonder in de meest getroffen gebieden van Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland. Een andere essentiële vraag bestaat erin te weten of de blootstelling aan ioniserende straling van de voortplantingscellen van de ouders al dan niet tot erfelijke gevolgen bij de volgende generatie(s) heeft geleid.
Gezien het belang van wat er op het spel staat en om op een degelijke wetenschappelijke basis duidelijkheid omtrent deze vragen te scheppen, heeft het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC), te Brussel, op 21 april 2006, in samenwerking met het Studiecentrum voor Kernenergie te Mol (SCK.CEN) een wetenschappelijk seminarie van hoog niveau georganiseerd. De beste internationale specialisten terzake hebben de stand van zaken van de huidige wetenschappelijke kennis over de genetische risico's en deze voor het embryo van een blootstelling aan ioniserende straling voor een publiek van ongeveer 200 deelnemers uiteengezet. Het FANC heeft eveneens wetenschappers uit Wit-Rusland, waarvan sommige wat omstreden zijn, uitgenodigd om de vaststellingen die in hun land werden gedaan, in alle onafhankelijkheid te komen voorstellen.
Wat de aangeboren afwijkingen betreft, werpen de gegevens afkomstig uit Wit-Rusland een nieuw licht op de zaak. Dank zij het bestaan van een nationaal register was het al sinds verschillende jaren gekend dat er een stijgende frequentie van afwijkingen in dit land bestond, maar tot op heden leek deze verhoging niet belangrijker in de sterk besmette gebieden dan in de andere, wat ertoe geleid heeft hiervoor naar andere verklaring te zoeken, zoals de verarming van de bevolking of wijzigingen in de voeding. Een verfijnde analyse van de gegevens, gebaseerd op een kleinschaligere geografische indeling en waarbij de verschillen in de bodembesmetting beter tot uiting komen, toont nu duidelijk aan dat er een piek is geweest van aangeboren afwijkingen in de meest besmette gebieden.
Hoe zit het nu met de erfelijke gevolgen die door het ongeval zouden kunnen zijn veroorzaakt? Zelfs wanneer talrijke dierproeven duidelijk hebben aangetoond dat ioniserende straling tot mutaties in de voortplantingscellen kan leiden, is het moeilijk gebleken om deze mutaties bij de afstammelingen van overlevenden van de nucleaire bombardementen op Nagasaki en Hiroshima aan te tonen. Het is dan ook bijzonder interessant om vast te stellen dat stralingsgeïnduceerde mutaties zeer duidelijk aantoonbaar zijn in het genoom van de kinderen waarvan de ouders in Wit-Rusland en in Oekraïne bestraald werden. De eventuele gevolgen die deze mutaties voor de gezondheid van deze kinderen zouden kunnen hebben, zijn echter slecht gekend.
Het seminarie heeft eveneens toegelaten om de balans van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het radiobiologisch onderzoek op te maken. Een van de markante elementen is dat, in tegenstelling tot wat men dacht, bestraling van zeer jonge embryo's (van slechts één of enkele dagen oud) kan leiden tot aangeboren afwijkingen, vooral dan bij individuen die al een zekere genetische voorbeschiktheid vertonen.
In het algemeen getuigen de onderzoeken van de ongelooflijke complexiteit van de genetische mechanismen die zich in onze cellen afspelen. Er worden nieuwe fenomenen waargenomen zoals de "transgenerationele" mutagenese, d.w.z. de inductie van nieuwe mutaties die optreden meer dan één generatie na blootstelling aan ioniserende straling, of ook nog de stralingsinductie bij het embryo, bij lage doses, van wijzigingen in de genexpressie welke aan de oorsprong kunnen liggen van gezondheidsproblemen in het latere leven. Vele onzekerheden, in het bijzonder m.b.t. de risico's van een bestraling van embryo's en m.b.t. de erfelijke gevolgen op lange termijn van een bestraling van de bevolking, blijven dus bestaan en nemen zelfs toe.
Twee conclusies dringen zich op. De eerste is dat er - in tegenstelling tot de huidige tendens - verder onderzoek op dit gebied moet worden gedaan en dat men zich moet hoeden voor het uiten van een voorbarig oordeel over de mogelijke gevolgen van het ongeval te Tsjernobyl. De tweede is dat men zeer voorzichtig moet blijven omgaan met het blootstellen van embryo's en van de voortplantingscellen bij mogelijke ouders in alle situaties (medische, professionele of milieugebonden) waarin de bevolking of de werknemers een verhoogd risico op blootstelling aan ioniserende straling lopen, en dat men deze blootstelling zo veel mogelijk moet beperken.
U kan ook meer gedetailleerde informatie (programma van het seminarie, samenvatting en volledige tekst van de presentaties) op deze site vinden.
28 April 2006



